Marc Visser wijst naar boven. “Zie je het schrootjesplafond en die enorme deuren? Dat is niet meer van deze tijd.” Volgend jaar wordt het gebouw van de afdeling Tandheelkunde van het UMC St Radboud, daterend uit 1968, gerenoveerd. Al wandelend wordt duidelijk waarom. Visser, tandarts algemeen practicus en universitair docent, geeft geregeld cursussen over ergonomie in tandartspraktijken en zet zijn expertise onder andere in om bij de verbouwing te adviseren. Zo heeft hij de lichtvisie geëvalueerd en over looproutes geadviseerd. Maar het meest weet Visser uiteraard van tandheelkundige ergonomie. Dental Tribune sprak met hem over de belangrijkste do’s en don’ts in de praktijkruimte.

Hoe brengt u uw kennis van ergonomie in de praktijk?
Ik geef momenteel geen college in ergonomie bij de opleiding Tandheelkunde, maar als ik zie dat iemand een slechte werkhouding heeft, zeg ik daar wat van en geef ik tips hoe hij zijn houding kan verbeteren. Daarnaast bemoei ik me waar mogelijk met de ergonomische aspecten van de verbouwing, zoals de verlichting. In het verbouwplan is gekozen om in de nieuwe vide licht met een opbrengst van 100 lux te laten stralen, maar dat vind ik te weinig. In een kantoor is minimaal 400 lux vereist, eigenlijk zelfs 800 lux, om te kunnen werken. In de entree van het gebouw waar iedereen passeert, is goed licht belangrijk om een prettige sfeer te creëren.

Laten we eens inzoomen op de tandartspraktijk. Hoe is het daar met de belichting gesteld?
Ook in tandartspraktijken gaat het op lichtgebied vaak mis. Mij valt op dat de meeste praktijken veel aandacht voor design hebben, maar dat het licht doorgaans een ondergeschoven kindje is. Vaak is in behandelkamers sprake van indirect licht, terwijl juist de werkplek goed verlicht moet worden: een tandarts werkt immers in de mond, niet op het plafond.
Het licht moet van lichtbakken komen. Ook de sterkte ervan is belangrijk. Een operatielamp heeft een lichtopbrengst van 20.000 lux en het licht uit de lichtbakken moet daarom een opbrengst van 2000 lux hebben. Als het contrast tussen het licht van de operatielamp en het omringende licht te groot is, raken je ogen vermoeid en kun je hoofdpijn krijgen. De operatielamp zelf dient goed instelbaar te zijn en de tandarts moet de lamp telkens opnieuw instellen, want geen enkele patiënt is hetzelfde. Bron: Dental-Tribune 4 februari 2015 by Laura van Dee